Fact-sheet advisering transitieslide

Van uitslag naar advies

Mark van Kleef

Laatste update één jaar geleden

Doel

Met behulp van de transitieslide kun je het energie-, eiwit-, en mineralenmetabolisme in de transitieperiode monitoren. Belangrijke aandachtspunten hierin zijn het voorkomen van (subklinische) ketose en hypocalcaemie. De dieren die onderzocht kunnen worden zijn close-upkoeien (20 tot 2 dagen voor afkalven, liefst 5-10 dagen voor afkalven) en de verse dieren (van 1 tot 10 dagen na afkalven, liefst 3-4 dagen na afkalven).

Inleiding

Tijdens de transitiefase kunnen we drie perioden herkennen, die afzonderlijk van elkaar beoordeeld moeten worden (hoewel elke periode beïnvloedt wordt door de vorige periode:



1. Close-upgroep

2. Koe in de afkalfstal

3. Verse lactatiegroep


Key-factor in de transitieperiode is de totale droge stof (DS) opname. Streef naar een maximale DS opname (te zien aan de pens vulling) zonder daarbij een overmaat aan energie, eiwit en/of mineralen te geven. Beoordeel altijd eerst het algeheel management zonder meteen in de samenstelling van het rantsoen te duiken.


De volgende punten beïnvloeden de DS opname:

1. Voer: let op beschikbaarheid (altijd voer in de voergoot!!!) en smakelijkheid.

2. Drinkwater: veel, schoon, makkelijk toegankelijk, meerdere punten, voorkeur voor lange drinkbakken.

3. Bezettingsgraad: alle koeien moet tegelijk kunnen vreten en liggen.

4. Ligboxen: ruim, schoon, zacht.

5. Beweegruimte: veel beweging mogelijk, zonder doodlopende gangen, liefst met uitloop.

6. Klimaat: tijdig voldoende ventileren ter voorkoming van hittestress.

7. Stressvrij: in aanvulling op bovenstaande punten die ook stress veroorzaken, denk aan het beperken van groepsverplaatsingen en het niet geheel afzonderen in de afkalfstal.

Pas als deze factoren zo goed mogelijk opgelost zijn, is het zinvol om met het rantsoen te gaan sturen.

Energie (subklinische ketose)

Beoordeel eerst de NEFA’s voor afkalven (referentie: 0,1-0,4 mmol/L; streef: 0,1 mmol/L). Indien NEFA’s verhoogd zijn (is al problematisch bij meerdere dieren tussen 0,25 en 0,4 mmol/L), controleer dan de volgende zaken:



1. Conditie van de close-upkoeien (kan zowel een individueel koe probleem of een koppel probleem zijn). Bij dieren met een conditiescore van 3,5 en meer, daalt de DS opname voor afkalven eerder en harder.

2. Beschikbaarheid rantsoen (altijd voer in de goot!, overbezetting?).

3. Samenstelling rantsoen (te energiearm en/of te eiwitarm waardoor onvoldoende pens werking).


Indien de NEFA’s direct na afkalven verhoogd zijn (en in de close-upperiode niet), controleer dan het afkalfmanagement. Zijn de punten in de inleiding voor algemeen management voldoende aanwezig?, let met name op: voer en drinkwater beschikbaar en geen stress door afzonderen.

Na afkalven accepteren we enige vetafbraak, dus NEFA’s mogen wat hoger zijn (referentie: <0,6 mmol/L; doel: <0,4 mmol/L). Als vetafbraak excessief is, moet men zich eerst toch richten op de voorgaande perioden. Daarnaast kan het verschil in opname en behoefte aan energie in de verse koe zo groot zijn, dat daardoor er excessief vetafbraak optreedt.

Energie wordt ook gemeten met BHB. Deze waarde is alleen bruikbaar na afkalven, koeien die verhoogd zijn, hebben al een vorm van ketose. Indien de waarde boven 1,2mmol/L is, en de koe geeft onvoldoende melk of heeft andere symptomen (minder herkauwen, minder vreten) dan dient deze koe behandeld te worden met een energiebron zoals propyleenglycol.

De waarde van BHB voor afkalven zegt alleen iet over de mate van boterzuurvorming in de pens, en is klinisch niet van belang. Boterzuur wordt in de pens gemaakt uit koolhydraten in het rantsoen, zoals graskuil en melasse.

Eiwit (op pensniveau)

Met BUN meten we het ureum dat in het bloed circuleert. Ureum is een afvalstof die in de pens geproduceerd wordt als eiwit uit het voer wordt afgebroken tot aminozuren en niet volledig wordt omgezet tot microbieel eiwit. Dat is het geval als er naar verhouding meer eiwit dan energie beschikbaar is in de pens.


Voor afkalven is de referentiewaarden tussen 3,3 en 6,6 mmol/L. Voldoende eiwit voeren is in de close-up periode van belang om goede biestkwaliteit te verkrijgen, om de pens werking te bevorderen en om de uierproductie te laten starten. Een overmaat is in ieder geval inefficiënt, en kan zelfs nadelig zijn.

Na afkalven is de BUN in het bloed gecorreleerd met de ureumwaarde in de melk, 3,3 mmol/L BUN in het bloed staat gelijk aan 20 mg/L ureum in de melk. In deze periode is eiwit van belang om de melkproductie te stimuleren. Waarden rond 3,0 tot 3,3 mmol/L BUN in het bloed worden in Nederland bij verse koeien als wenselijk beschouwd.

Bedenk goed dat BUN in het bloed alleen iets zegt over het onbestendig eiwit in het rantsoen. Bestendig eiwit wordt in de darm afgebroken en opgenomen, daar wordt geen ureum van gemaakt. Wil men de totale eiwitgift aan een koe beoordelen, dan zal men ook Albumine en Totaal Eiwit moeten meten (Nutri Balance slide).

Mineralen Calcium, Magnesium en Fosfor

Deze mineralen zijn van belang voor de preventie van hypocalcaemie (subklinische melkziekte). Hypocalcaemie treedt op als de Ca-spiegel na afkalven zakt tot onder 2,15 mmol/L. Bij hoogproductieve dieren mag dat de eerste dag na afkalven, daarom kan men beter op dag 3 of 4 na afkalven meten (als er tenminste eerder geen klinische verschijnselen zijn opgetreden). Beoordeel dus altijd eerst de Ca-waarden bij de verse koeien en relateer dat tot de dagen in lactatie (bijvoorbeeld: een normale waarde op dag 7, wil niet zeggen dat de waarde daarvoor ook normaal was).


Indien de conclusie is dat hypocalcaemie bij de verse koeien aanwezig is, moeten de volgende stappen worden doorlopen:

1. Beoordeel de DS opname (zie hierboven, let op pens-score). Wisselende Mg-gehalten bij de close-upkoeien duiden op wisselende DS opname. Idealiter varieert Mg-gehalte tussen close-up koeien nauwelijks, maximaal 0,2.

2. Beoordeel Mg-gehalte bij de close-upkoeien, deze moet voor alle koeien minimaal 1,0 mmol/L zijn. Dit kan per direct aangevuld worden in het rantsoen.

3. Beoordeel P-gehalte bij de close-upkoeien, deze is idealiter rond 1,5mmol/L. Waarden van gemiddeld 2,0 mmol/L of hoger moeten zeker verlaagd worden door fosforarme producten in het rantsoen te gebruiken (mais i.p.v. graskuil, soyaschroot i.p.v. raapzaad)

4. Beoordeel of de botstofwisseling voor afkalven voldoende geactiveerd is. Bij Ca-waarden bij close-upkoeien rond 2,4 mmol/L, kan men concluderen dat de botstofwisseling geactiveerd is. Indien het lager is, zou men door middel van het rantsoen moeten proberen dit alsnog te activeren. De meest gebruikte systemen zijn het verlagen van de KAB of het gebruik van een fosforbinder. Zorg er zeker ook voor dat er voldoende vitamine D in het rantsoen zit.

Was dit artikel behulpzaam?

1 van 1 vonden dit artikel leuk